dinsdag 2 mei 2017

XI

14 is neus

Professor Pekelder

We hebben eerder als eens laten zien dat mensen voor hun telsystemen soms een beroep doen op lichaamsdelen: in het Samoan betekent het woord lima zowel ‘vijf’ als ‘hand’. Een hand heeft vijf vingers. Een ander voorbeeld biedt een van de talen van Nieuw-Caledonië waar het woord voor 20 gelijk is aan dat voor ‘mens’. Een mens heeft immers 10 vingers + 10 tenen. Een extreem voorbeeld van het gebruik van lichaamsdelen bij het tellen vinden we in het Wambon, een papoeataal gesproken in de voormalige Nederlandse kolonie Nieuw-Guinea, nu Irian Jaya, onderdeel van de Republik Indonesia. De telling van 1 tot en met 27 is gebaseerd op het bovenste deel van het menselijk lichaam, met name op die delen die paren vormen. Ze begint aan de linkerkant. Zo draagt het getal 1 de naam van de pink, 2 verwijst naar de ringvinger, 3 correspondeert met de wijsvinger, het woord voor 4 is hetzelfde als dat voor de middelvinger, terwijl 5 de duim aanduidt. De pols geeft zijn naam aan het getal 6, het woord voor de onderarm is identiek aan dat voor 7 en de elleboog staat voor 8. Voor 9 wordt hetzelfde woord gebruikt als voor de bovenarm, terwijl 10 overeenkomt met de schouder. De getallen 11, 12 en 13 ontlenen hun naam respectievelijk aan het (linker)gedeelte van de hals, het oor en het oog. Voor de getallen 15 tot en met 27 wordt de omgekeerde weg bewandeld, aan de rechterkant van het bovenlichaam, te beginnen bij het oog (= 15) met als eindpunt de pink (= 27). Voor elk getal dat naar een rechterlichaamsdeel verwijst, wordt ten slotte het voorvoegsel em- geplaatst, dat zoiets betekent als ‘aan de andere kant’. De oplettende lezer zal nu zeggen: een mooi systeem hebben die papoea’s daar, maar ontbreekt 14 niet? Slaan ze dit getal misschien over? Integendeel! 14 neemt een speciale plaats in. Het is de mediaan, dat wil zeggen: het bevindt zich exact in het midden van de reeks, net zoals het reukorgaan zich in het midden van het gezicht bevindt. 14 is dus neus.

zondag 5 maart 2017

X

Maak eens een wereld
Professor Pekelder


Veel mensen denken dat elk verschijnsel een naam heeft of zou moeten hebben. Het eerste is niet juist en het tweede is onmogelijk. Dat het eerste onjuist is, zie je als je talen vergelijkt. We nemen het Franse cadet. Dit woordje is niet in het Nederlands te vertalen. Je kunt het alleen omschrijven: ‘het op een na oudste mannelijke kind binnen een en hetzelfde gezin’. Hoe komt dat? De reden is dat Nederlandstaligen er in hun hoofd geen aparte categorie voor hebben gemaakt. Het omgekeerde bestaat ook. Voor het verschijnsel ‘een aaneengesloten periode van een volledige dag en een volledige nacht’ hebben de Franstaligen geen apart woord. Het Nederlands kent etmaal. De vraag rijst nu waarom niet alle verschijnselen een naam dragen. Zoals we uit de twee voorbeelden kunnen leren, heeft dat niets te maken met het al dan niet bestaan van die verschijnselen. ‘Etmalen’ en ‘cadets’ hebben we volop, zowel in de Nederlandstalige als in de Franstalige wereld. De reden is dat het maken van categorieën in je hoofd vanuit een taalkundig oogpunt op een willekeurige manier plaatsvindt. Maar waarom dan die willekeurigheid zou je zeggen. Waarom maken niet alle mensen dezelfde categorieën? Dit hangt samen met de vrijheid die mensen genieten om werelden te maken. Uiteindelijk is de beslissende factor de (sub)cultuur waartoe ze behoren. Deze stand van zaken heeft een opmerkelijk gevolg. Mensen maken niet alleen categorieën van waarneembare verschijnselen, dat wil zeggen verschijnselen die via onze zintuigen tot ons komen, maar ook van verschijnselen die ze zelf verzonnen lijken te hebben. In theorie is het aantal verschijnselen dus oneindig. We kunnen zoveel werelden en dus categorieën maken als we willen. Laten we twee voorbeelden noemen: de wereld van de wiskunde en de geloofswereld. Beide zitten boordevol categorieën die niet rechtstreeks waarneembaar zijn: sinus, wortel, God, engel. Een intrigerende vraag is nu of deze werelden inderdaad verzonnen zijn of dat de betreffende categorieën teruggaan op bestaande verschijnselen. Hoe verklaar je bijvoorbeeld dat de wiskunde erin slaagt om op magistrale wijze het universum te beschrijven? Het is meerdere malen gebeurd dat wiskundige theorieën bepaalde verschijnselen afdwongen, terwijl deze nog nooit geobserveerd waren. Denk aan Einsteins voorspelling van de afbuiging van het licht. De hamvraag is dus of ons universum gebouwd is op basis van wiskundige principes - God als winnaar van de eerste Fieldmedaille? - of dat wij de wiskunde gewoon hebben verzonnen als een handig beschrijvingsmodel. Ook de geloofswereld stelt ons voor een intrigerende vraag. Zijn het allemaal verzinsels of gaan de betreffende categorieën terug op verschijnselen die we via onze zogenaamde interne zintuigen hebben waargenomen (instinct, intuïtie, enz.)? Weet u wat nu zo fijn is? Dat elk mens deze vragen in alle vrijheid voor zichzelf mag beantwoorden.

zaterdag 25 februari 2017


1 Inleiding

Tussen de apartheid en het socialisme kan ogenschijnlijk geen grotere afstand bestaan. De eerste berust op de opinie dat mensen ongelijk zijn terwijl de theorie van de tweede naar de absolute gelijkheid van mensen streeft. Toch hebben ze tenminste één ding gemeen, namelijk dat de invoering van beide in de praktijk tot het ontstaan van totalitaire staten leidt. Tot deze behoorden ook Zuid-Afrika in de jaren 1948-1990 en de Tsjecho-Slowaakse Republiek, later de Tsjecho-Slowaakse Socialistische Republiek, in de jaren 1948-1989. Het beeld van deze staten wordt in de literatuur met behulp van verschillende literaire technieken dikwijls bewerkt. Eén van deze technieken is het gebruik van de kindervertellers. In mijn werkstuk wil ik de parallellen tussen de beelden van de kindervertellers in boeken over die tijd uit beide landen opsporen en bespreken. De vraag is of deze overeenkomsten meer met de overeenkomsten in ideologieën zelf of met het totalitarisme samenhangen.

Het gebruik van een kinderverteller behoort in de literatuur voor de volwassenen niet tot de meest gebruikte literaire technieken, hoewel het de auteur interessante mogelijkheden biedt. Een kind als verteller laat volgens Prokeš (2004: 14-15) de bekende feiten op een ongewone manier zien. Het kind kan dan als een onbetrouwbare verteller aangeduid worden want het ziet de gebeurtenissen vereenvoudigd en besteed aandacht aan andere dingen dan de volwassenen. De kinderen in boeken zien een specifieke logica in het leven, verdelen de wereld in goede en slechte mensen en laten de schrijvers ogenschijnlijk onbewust, komische situaties creëren. Hoewel het kinderperspectief voor een nostalgische beschrijving van kindertijd gebruikt wordt, is het ook een manier om met onaangename historische gebeurtenissen af te rekenen. De jongen in de gestreepte pyjama van John Boyne of Onbepaald door het lot van Imre Kertész zijn daar voorbeelden van.

Kindervertellers verschenen ook in Zuid-Afrikaanse en Tsjechische boeken over de apartheid en over het socialisme. Het gesloten paradijs van de kinderjaren draagt in beide gevallen een teken van de politieke omstandigheden van die tijd. Opmerkelijk is dat, hoewel de historische omstandigheden anders waren, deze in bepaalde opzichten op gelijke manier door het kinderperspectief worden weergegeven. Het gaat zowel over de manier van selectie van feiten die de vertellers als belangrijk voor hun verhaal beschouwen als over gezamenlijke punten in de beschrijving van hun omgeving. Voor de illustratie van deze overeenkomsten heb ik de Zuid-Afrikaanse boeken Roepman van Jan van Tonder en Ons is nie almal so nie van Jeanne Goosen gekozen. Beide zijn in het Nederlands vertaald en ze beschrijven de jaren zestig en zeventig in Zuid-Afrika vanuit het kinderperspectief. Als exempels van de Tsjechische boeken gebruik ik Kleurloze herinneringen (in Tsjechisch Nebarevné vzpomínky) van Martin Vopěnka en het opmerkelijke boek dat vooral op illustraties berust van Petr Sís Muur (in Tsjechisch Zeď). Deze omvatten in vergelijking met de gekozen Zuid-Afrikaanse boeken een groter tijdperk maar de kindertijd van de vertellers ligt ook in de jaren zestig. Ze zijn niet in het Nederlands vertaald, de citaten heb ik ten behoeve van dit werkstuk vertaald.

3 Weerspiegeling van de wereld in de gekozen boeken

Hoewel de boeken van elkaar van thema verschillen, vond ik overeenkomstige elementen die in twee groepen kunnen worden verdeeld. De eerste is het leven buiten de familie die vooral de rol van de politiek en het beeld van de school behandelt. De tweede is het leven binnen de familie dat vooral op het plaatselijke samenleven met mensen is gericht. De grenzen tussen deze groepen zijn niet strikt en er zijn overeenkomsten.

3.1 Buiten de familie

3.1.1 Politiek

Bij de gewone kindervertellers in boeken met een nostalgisch onderwerp ontdekt men bij de karakterisering van volwassenen zelden hun politieke preferenties. De politiek is iets waarop de kinderen nauwelijks letten. Als ze over grote mensen nadenken is dat vooral in het kader van hun eigen ervaringen met die concrete persoon. In het Tsjechische boek van Karel Poláček Wij waren met ons vijven (in Tsjechisch Bylo nás pět) (1984: 19) beschrijft de kinderverteller de vader van zijn vriend op deze manier: “Zijn vader, meneer Martin Bejval, is de sterkste van allen. Hij verzet zich tegen iedereen zonder angst, hij verslaat iedereen.” [1] Over de politieke preferenties van meneer Bejval vindt men geen woord. Daarentegen is dit in de drie vertellende geanalyseerde boeken bij veel personages op de ene of andere manier wel vermeldt. Alleen in de cartoon ontbreekt dit punt want daarin worden de anderen niet gedetailleerd beschreven.
“Ma is een Sap. Volgens haar hebben alle mensen rechten.” (Van Tonder 2008: 14)
“Papa zei dat de Jacobsen Sappe zijn en het enige waar ze verder nog benul van hebben is de royal family.” (Goosen 1993: 98)
“Ook de opa Antonin van mijn vaders zijde was in de communistische partij.” [2](Vopěnka 2013: 16)

4 Conclusie

De vertellers in de gekozen boeken wijken in bepaalde aspecten van de gewone kindervertellers af. Ze vestigen aandacht op de politieke preferenties van mensen en op school krijgen ze ideologisch gekleurde informatie. Hun families benadrukken de regel dat spreken zilver is en zwijgen goud. Ze proberen hun kinderen attenderen op het feit dat ook de buren voor de familie gevaarlijk kunnen zijn. Andere aspecten, hier wordt alleen de kwestie van de godsdienst genoemd, laten de inhoudelijke verschillen tussen de ideologieën in de gekozen boeken zien. De gevonden parallellen hangen dus met de totaliteit samen en ze zouden ook in boeken uit andere totalitaire staten gevonden kunnen worden. Interessant zou de vergelijking van boeken over de apartheid in Zuid-Afrika en over Nazi-Duitsland zijn. In beide hebben de rasverschillen een rol van belang gespeeld wat een uitdaging voor de kinderverteller zou moeten zijn.



[1] Jeho otec, pan Martin Bejval, je ze všech nejsilnější. Každému se postaví bez bázně, každého
přepere.
[2] Také dědeček Antonín z tatínkovy strany byl v komunistické straně.

donderdag 16 februari 2017

Weekendpelgrimage of een tocht naar je eigen identiteit
Barbora Šivecová

Het feit dat de Nederlandse literatuur veel kanten heeft, is bekend. Als we iets in het Nederlands willen lezen, hoeft het absoluut niet alleen over Nederland of Vlaanderen te gaan, omdat er ook andere landen in de wereld zijn waar literatuur in het Nederlands wordt geschreven. Dat zijn de landen die bijvoorbeeld vroeger Nederlandse koloniën waren en waar nog steeds Nederlands gesproken en geschreven wordt. In zulke gevallen spreekt men over koloniale en postkoloniale literatuur. Antilliaanse literatuur is een goed voorbeeld daarvan. In dit essay bespreek ik een roman die zich op het eiland Curaçao afspeelt en ik presenteer ook mijn persoonlijke interpretatie van het boek.

Het boek heet Weekendpelgrimage en het is door Tip Marugg in 1958 geschreven. Ik heb dit boek willen lezen omdat ik nieuwsgierig naar de situatie in de Nederlandse Antillen was en ook omdat ik nog nooit een roman uit dit milieu heb gelezen. Voordat ik aan het boek begon, had ik geen specifieke verwachtingen. Ik verwachtte dat ik iets over het leven op Curaçao te weten komen zou. Ik ben wel wat informatie daarover te weten gekomen, maar ik denk dat het niet het hoofddoel van de auteur was – om Curaçao te introduceren. Aan de andere kant moet ik ook bekennen dat dit boek vrij moeilijk voor mij was omdat het bijna geen inhoud heeft. Daarmee bedoel ik dat er uiteindelijk niet zoveel gebeurde. Het hele boek is eigenlijk een innerlijke monoloog van het hoofdpersonage dat vol gedachtenstromen en dromen is. Toch vond ik de roman en sommige citaten ervan heel interessant om erover na te denken.

Weekendpelgrimage gaat over een man die op Curaçao leeft. Maar wij als lezers  kunnen dat van het eigenlijke verhaal niet afleiden. We weten dat alleen van de achterkant van het boek. Hij zelf zegt alleen dat hij op een eiland in de Caraїbische Zee leeft. Hij noemt Curaçao de hele tijd “het eiland”. Ook weten wij niet hoe het personage heet, wat volgens mij interessant was vanwege het feit dat er zoveel andere namen en informatie van zijn kennissen waren. Wel weten wij dat het om een blanke man gaat van wie de voorouders waarschijnlijk Europeanen waren. Maar het personage zegt dat nooit expliciet. Dat moeten wij als lezers zelf van de context afleiden. Het hele boek gaat eigenlijk over één zaterdagavond en wat de man op die avond doet. Het verhaal begint op het moment dat de man om drie uur ’s ochtends in zijn auto in een kuil aan de rand van de weg zit. Hij denkt na wat hij met zijn leven gaat doen. Hij denkt dat er maar drie mogelijkheden zijn: naar huis te gaan en op Curaçao blijven wonen, naar de noordkust gaan en zelfmoord te plegen of naar Canada te vertrekken. Maar voordat hij beslist, maakt hij een tocht en bezoekt alle kroegen (hij noemt ze “dranktenten”) op het eiland. Overal drinkt hij whisky-soda.

Gedurende het hele verhaal komen er flashbacks voor. Hij denkt over zijn kinderjaren na en vertelt veel verhalen over zijn vrienden. Bij elke personage geeft hij aan welke huidskleur hij of zij heeft. Meestal mijmert hij over zijn eigen leven – hoe eenzaam hij is, hoe erg het op het eiland is, wat voor een stomme baan hij heeft, hoeveel hij moet drinken, omdat hij geen andere oplossing kan vinden, enzovoorts. Elke zaterdagavond droomt hij over zelfmoord plegen en als hij de droom beschrijft, gaat hij tot de allerkleinste details – alsof hij het echt deed. Hij droomt ervan om met zijn auto het water in te rijden. Uiteindelijk pleegt hij geen zelfmoord, vertrekt niet naar Canada, maar kiest voor de derde mogelijkheid, namelijk voor het leven op het eiland. Hij spreekt over een indjuboom die iedere eilandbewoner kent, die een onzichtbare macht heeft en hij denkt na wat hij aan de boom moet vragen of vertellen. Hij zegt dat iedereen een gebed, een herinnering of een liefde in zichzelf heeft en dat het voor hem het eiland is. Daarom kiest hij voor het leven daar. Hij heeft geen ander thuis en op een of andere manier houdt hij van Curaçao.

Wat de personages betreft, is er maar één belangrijk persoon, namelijk het hoofdpersonage of de ik-persoon. De ik-persoon is een blanke man die als journalist werkt, niet vriendelijk tegen andere mensen is, maar zich eenzaam voelt en veel alcohol drinkt. We weten niet hoe oud hij is, hij is bijgelovig, op zoek naar zijn identiteit en stereotypeert andere mensen naar hun huidskleur. Hij is tevens de focalisator en de verteller van het verhaal en ik denk dat hij onbetrouwbaar is, omdat hij gedurende het hele verhaal dronken is en we hebben geen mogelijkheid om het verhaal vanuit een ander perspectief te volgen. De vertelde tijd is één avond. De gebeurtenissen worden niet chronologisch verteld en het verhaal wordt steeds door de flashbacks onderbroken. Het boek bestaat uit 23 hoofdstukken. Het gaat om een psychologische roman die soms tot het “tropisch existentialisme” gerekend wordt. De stijl van Tip Marugg is somber, vol dronkenschap, ondergangsvisioenen en zelfmoordplannen. De auteur zelf zegt dat het boek eigenlijk over hem gaat, dus we kunnen wel spreken over autobiografische motieven. Het boek is vol tegenstellingen of binaire opposities: leven en dood, blank en zwart en werkelijkheid en droom.

Ik geloof dat het thema van het boek een zoektocht naar zichzelf is. De naam van de roman – Weekendpelgrimage kan naar de kroegentocht, maar ook naar deze zoektocht naar zichzelf verwijzen. De hoofdpersonage lijdt aan de identiteitscrisis die veroorzaakt is door het feit dat hij tussen twee culturen geboren is en dat hij niet weet waar hij thuishoort. Maar er zijn ook een paar andere motieven in de roman te vinden.

“De Ander” is niet alleen één van de belangrijkste motieven in het boek, maar ook een concept dat vaak in de koloniale en postkoloniale literatuur voorkomt. Er wordt voortdurend aangeduid dat zwarte mensen of kleurlingen anders dan de blanken zijn. De ik-verteller zegt bijvoorbeeld dat hij nog nooit een kleurling heeft ontmoet, die zacht kon spreken of bijvoorbeeld dat het altijd moeilijk is om te raden hoe oud een kleurling is. Hij denkt dat alle zwarte mensen hetzelfde zijn (hij noemt hen allemaal “negers”) – dom en simpel, maar hij gelooft dat ze veel van de oude wereld weten. Toch zijn ze allemaal primitief en volgens hem zou het een ramp zijn als ze onderwijs zouden krijgen. Hij stereotypeert bijna iedereen – over Amerikanen zegt hij dat zij altijd een mop over auto’s begrijpen, over te laat komen dat het een typisch tropisch verschijnsel is, enzovoorts. Maar de belangrijkste maatstaf om mensen te categoriseren is voor hem de huidskleur, wat tevens één van de meest typerende “othering strategieën” in de koloniale en postkoloniale literatuur is. Bij elk personage in het verhaal duidt hij aan wat voor een huidskleur hij of zij heeft en deze aanduiding wordt dan als een soort van “shortcut” gebruikt om iemand zo kort mogelijk te karakteriseren.

Het is nergens expliciet geschreven, maar het is niet alcoholisme of eenzaamheid waarover de roman in eerste instantie gaat. Het is wel het gevoel van thuishoren. Het hoofdpersonage wil iets, maar hij weet niet wat. Volgens mij wil hij ergens thuishoren, gewoon een deel van een groep of maatschappij uitmaken. Maar omdat hij alleen de mensen van andere huidskleuren om zich heen ziet, denkt hij dat hij niet op het eiland thuishoort (hij noemt het “negereiland”). Ook denkt hij dat er op Curaçao niets gebeurt en dat het leven er saai is. Daarom overweegt hij zelfmoord te plegen of te vertrekken. Maar eindelijk ontdekt hij een vlam in zichzelf die brandt wanneer hij niet thuis is en hij eindigt zijn verhaal met de woorden: “Dit is mijn stad. Dit is mijn eiland.” Dus, hij blijft op Curaçao wonen. Ik heb nog andere motieven in de roman gevonden, namelijk “het eiland”, eenzaamheid, alcoholisme en zelfmoord, maar ik denk dat het concept van “de Ander” en het gevoel van thuishoren de belangrijkste waren.
In dit essay probeerde ik de Antilliaanse roman Weekendpelgrimage te analyseren. Ik gebruikte de klassieke literaire analyse, maar probeerde ook naar het waarnemen van “de Anderen” te kijken. De rol van de blanke verteller en focalisator heeft, dus, ook een grote rol in het verhaal gespeeld. Wat andere representaties betreft, werd er veel van stereotypen gebruik gemaakt die als een soort van “shortcut” om de personages te karakteriseren dienden. Zoals ik al zei, het veelvuldig markeren van de huidskleur kwam het vaakst voor.


Maar het boek was ook interessant vanuit een ander perspectief. Als het om koloniale en postkoloniale literatuur gaat, komen wij heel vaak de situatie tegen, waarin we met zwarte mensen medelijden hebben, omdat het tegenwoordig normaal is dat racisme afgekeurd wordt. In dit geval kan er wel van racisme sprake zijn, maar ik denk dat de zwarte objecten waarschijnlijk niet zo belangrijk in de roman zijn. Wat hier centraal staat, is de positie van de blanke man in de Curaçaose maatschappij die uit mensen van gemengde afkomst bestaat. Het blanke subject is dominant in deze maatschappij en kan alles hebben wat hij wil. Maar toch is hij ongelukkig en voelt dat hij daar niet thuishoort. Om die reden biedt de roman een nieuw en interessant perspectief en kan ons tot nadenken aanzetten. Kon de kleur van je huid in de jaren vijftig op Curaçao geluk garanderen? Neen. Kon je huidskleur je leven in sommige situaties vereenvoudigen? Ik denk van wel.

dinsdag 31 januari 2017

Franca Treur en de wereld die ze heeft uitgebeeld

Lukáš Vítek

De refowereld was in het verleden een dankbaar thema van schrijvers. Jan Wolkers, Maarten ’t Hart, Jan Siebelink, al deze mannen schreven over de deformatie van de opvoeding in het gereformeerd-christelijk milieu. Al deze getraumatiseerde schrijvers groeiden op met strenge vaders die door hen gehaat werden. Uiteraard moet dit conventionele beeld genuanceerd worden: er zijn verschillen tussen individuele schrijvers, waarbij het generatieverschil het meest voor de hand ligt (Wolkers is één generatie vroeger geboren dan ’t Hart en Siebelink). Dat verandert echter niets aan het feit dat de beeldvorming van de refowereld bij deze auteurs vrijwel negatief is. Zo wordt in Een roos van vlees van Wolkers het geloof als een barrière beschreven waaraan je moet ontsnappen. De refowereld wordt als een impasse beschouwd en de enige oplossing is om dit milieu te verlaten of er afstand van te nemen, bijvoorbeeld door een protesthouding.

In recenter tijden verscheen een nieuwe roman uit de refowereld: Dorsvloer vol confetti (2009). Ondanks de ontkerkelijking bestaat de refowereld nog steeds en wordt nog steeds een onderwerp van romans. Dit feit wordt ook in enkele interviews met Franca Treur besproken. Uit het interview door Bart den Otter en Kees Guijt blijkt dat de schrijfster zich wel bewust is dat er bepaalde conventionele beeldvorming van de refowereld ontstond en dat ze daar graag aan zou willen ontsnappen. Juist om deze reden is het hoofdpersonage van Dorsvloer vol confetti slechts twaalf en dus geen puber bij wie we meer opstand zouden kunnen verwachten.

Als we ons willen afvragen in hoeverre Treurs boek origineel is, dan moeten we ons van één ding bewust zijn: Dorsvloer vol confetti behoort tot de streekroman. In eerste instantie gaat het niet over het geloof an sich, maar veel meer over het leven op een boerderij in Zeeland. Op dit opzicht lijkt Dorsvloer vol confetti meer op de boeken van ’t Hart dan op die van Wolkers, want ‘t Harts Een vlucht regenwulpen kunnen we makkelijk als een streekroman lezen. De schrijfster benadrukt zelf dit feit als ze in het vermelde interview de structuur van de refowereld aan die van de boerderij relateert: De gereformeerde wereld heeft het principe dat je een binnenste en een buitenste kring hebt (...) Katelijne hoort bij de buitenste kring van de familie. Maar aan de boerderij, de binnenste kring, kan ze niet meedoen.

 Het leven op platteland wordt door kunstenaars in de regel cyclisch verbeeld: de seizoenen representeren het levensritme van een dorpeling. Dit kunnen we bijvoorbeeld in de Hollandse Oscarwinnaar Antonia (1995) opmerken die gedeeltelijk op de shots van de natuur gebaseerd is. Dus is het geen toeval dat Dorsvloer vol confetti een cyclische structuur vertoont. Ten eerste heet het elfde hoofdstuk ‘Huisbezoek’, wat een variatie op de naam van het vijfde hoofdstuk ‘Bezoek’ is. Ten tweede lezen we herhaaldelijk over bezoeken van Katelijne aan haar oma. Dus is de refowereld volgens Treur eveneens een cirkel. In haar boek lijkt die cirkel echter niet op de barrière van Wolkers, het gaat niet om een vicieuze cirkel. Katelijne wil er niet aan ontsnappen. Integendeel, hoe verder we in het boek komen, hoe vaker we de ontmoetingen van haar en haar oma tegenkomen. De herhaling in kwestie creëert de sfeer van veiligheid en vriendelijkheid. De lezer raakt snel op een positieve manier met de refowereld vertrouwd. Vandaar ook het verzoenlijke einde van de roman: in plaats van afscheid nemen van de refowereld (dat is meer aanwezig in de succesvolle verfilming ervan), kijkt de lezer naar een bruiloft die letterlijk op een dorsvloer op confetti wordt voltrokken.

Aan de andere kant speelt Katelijne de rol van buitenstaander en haar relatie met haar ouders is ver van ideaal. Met haar intelligentie en gevoeligheid voor woorden lijkt ze meer op een kunstenares dan op een toekomstige boerin. Qua mentaliteit hoort ze niet bij haar familie en toch geniet ze op haar eigen manier van het ‘lidmaatschap’ in de refowereld. En ze heeft ook een sympathiekere vader dan de helden van Wolkers of ’t Hart. Als ironisch kan datgene wat het personage van Treur niet doet gezien worden (het breken met het milieu waarin ze opgroeide, wat trouwens voor een twaalfjarige meisje sowieso niet mogelijk schijnt), maar wat de schrijfster zelf wel heeft gedaan: ze heeft zich van de refowereld en het geloof, wat telkens in interviews wordt benadrukt, gedistantieerd. De literatuur en het leven gaan hand in hand.

Bronnen:
Treur, F. 2010  (2009) Dorsvloer vol confetti. Amsterdam: Prometheus.

zaterdag 7 januari 2017

IX

Tellen in taal
Professor Pekelder


In het Nederlands tellen we tot tien omdat we tien vingers hebben. En tellen doe je in onze contreien met je vingers, althans de kleineren onder ons. In het Samoan betekent het woord lima zowel ‘vijf’ als ‘hand’. Een hand heeft vijf vingers. Omdat mensen twee handen hebben, is het tellen in veel culturen op het zogenaamde tientallig stelsel gebaseerd. Dit is een handig (sic!) systeem, want het is oneindig. Als je bij negen bent en de tien symbooltjes, namelijk 0 tot en met 9, hebt opgebruikt, begin je weer bij het begin: je combineert 0 en 1 tot 10. Denk nu niet dat dit het enige telsysteem is. Wiskundigen maken berekeningen met behulp van andere stelsels, bijvoorbeeld het zestallig stelsel. Dit is voor de leek erg lastig, want het verandert het optellen en aftrekken. Hoe gaat dat dan? Je hebt maar zes symbooltjes: 0, 1, 2, 3, 4 en 5. Dit betekent dat je in eerste instantie niet verder komt dan vijf (vijf is dus vijf). Zes is tien want je moet opnieuw beginnen. Zeven is elf, één zestal en één eenheid. Vijfenvijftig (het hoogste dat we met twee cijfers kunnen tellen binnen het zestallig stelsel) is vijf zestallen met vijf eenheden, dus vijfendertig in het tientallig stelsel. Het wordt nog spannender als je berekeningen gaat uitvoeren. Zo geldt binnen het zestallig stelsel: 23 + 14 = 41. Het eerste getal duidt immers twee zestallen en drie eenheden aan (= 15). Het tweede getal staat voor één zestal en vier eenheden (= 10). Het laatste getal duidt vier zestallen aan en één eenheid (= 25), dus 15 + 10 = 25 binnen het tientallig stelsel. Een prijsvraagje voor de volgende keer? Hoeveel is 38 - 18 binnen het zeventallig stelsel…? De winnaar krijgt van mij de vijf.

vrijdag 23 december 2016

Deftige woorden gezocht

Pavlína Riedlová

“Neem het mij niet kwalijk, maar ik heb het hele weekend een boekje van Popovič gelezen en ik moest nu ook een paar woordjes kwijt,” heb ik me onlangs verontschuldigd nadat ik een onschuldig meisje met een woordenstroom over de vertaalwetenschap overviel. Soms is het hoofd propvol woorden en soms zijn we van alle woorden af. De beste bron van kwaliteitswoorden is dan een corpus.

Het corpus is een verzameling teksten die meestal groter dan de Harry Potter-reeks is. Het is wel mogelijk dat een speciaal Harry Potter-corpus met alle toverspreuken en fabeldieren bestaat, maar meestal wordt onder het begrip corpus de representatieve verzameling teksten met miljoenen woorden verstaan. Deze collectie laat zien hoe de taal in een bepaalde periode gebruikt wordt.

Zoals op Harry Potter-corpora getoond werd, bestaan er meer soorten corpora. Ze zijn zowel synchronisch als diachronisch. Er bestaan corpora van de gesproken taal en van de schrijftaal. Men kan daarmee de taal in de literaire met die in de journalistieke teksten vergelijken. Wat voor een student van een willekeurig taal heel geschikt is, zijn de parallelle corpora die één tekst in twee talen naast elkaar laten zien.




In Tsjechië is het Instituut voor het Tsjechische nationale corpus met de corpora bezig. Op hun pagina krijgt men na een korte registratie gratis toegang tot de corpora. Behalve het corpus van de gesproken en geschreven Tsjechisch bieden ze ook een brieven-corpus, corpus van Praagse taal of het InterCorp. 

Het InterCorp is een parallel corpora dat uit teksten bestaat die in verschillende talen beschikbaar zijn. Zo kan je gedeelten van de roman De geruchten in het Nederlands en in het Tsjechisch zien. Tsjechisch dient hier als een zogenaamde pivot, een taal waarmee alle andere taalversies verbonden zijn. In het ideale geval zal naast één zin in het Tsjechisch dezelfde zin in het Nederlands staan. Zo gemakkelijk is het niet altijd. Bij een vertaling wordt met de structuur van de zin op allerlei manieren gemanipuleerd en een machine maakt dan fouten. Toch zijn de parallelle en anderstalige corpora van het Tsjechische instituut voor taalliefhebbers nuttig. Ze helpen zowel bij het creëren van een tekst in een vreemde taal als bij de vertaling naar eigen moedertaal.



“Ik heb het via Google gevonden.” Dat zinnetje heeft bijna iedereen weleens uitgesproken. Het is meestal de laatste poging om een eigen versie van een woordgroep voor een moedertaalspreker verdedigen. Zijn reactie is daarna: “Op Google kan je alles en noch wat vinden. Dat zal ik nooit zeggen. Het moet anders zijn.” Het corpus biedt een ander argument: “Het heeft Mulisch in Aanslag gebruikt.” De literaire teksten in het corpus werden door de redacteurs gecontroleerd wat het risico dat je een fout overneemt vermindert. Je kan een woord of een combinatie van woorden zoeken en dan kijken hoe vaak ze gebruikt werden of met welke woorden worden ze vaak verbonden. In tegenstelling tot het woordenboek geeft het corpus meer voorbeelden waarvoor in meeste woordenboeken weinig plaats is.



Daarna kan men het corpus bij het vertalen naar zijn moedertaal gebruiken. Het Tsjechische instituut biedt een speciaal werktuig dat Treq genoemd wordt en op InterCorp gebaseerd is. Hier kan men een woordje invullen en daarna verschenen alle vertaalmogelijkheden. Ter illustratie kunnen we het lastige woordje gezellig nemen. Om fouten te vermijden nemen we alleen vertalingen die meer dan drie keer voorkomen in de corpora. Meestal worden de woorden útulno, příjemná en příjemné gebruikt. Uit Treq kan men naar het klassieke InterCorp doorklikken waarin hij de zinnen kan vergelijken. Vergeleken met de directe opsporing in InterCorp, kan men niet aangeven, dat hij alleen in de teksten van moedertaal sprekers wil zoeken. Eén van de varianten kwam dus uit het boek Harry Potter, dat zowel in het Tsjechisch als in het Nederlands beschikbaar is, maar in beide talen is het een vertaling. Aan de andere kant, voor een snel synoniemenoverzicht is het meer dan voldoende.

Het corpus dient natuurlijk niet alleen als een bron van mooie woorden. Het is een handig instrument voor linguïstisch onderzoek en helpt ook met het samenstellen van woordenboeken. Het heeft één ding gemeenschappelijk met het leven. Lezen daarover is onvoldoende, je moet het beleven.


maandag 19 december 2016

Niemand begrijpt me

Pavlína Riedlová

Iedereen is een potentiële hypochonder. De linguïst vormt op deze regel geen uitzondering. Als hij een puber ziet die tegen zijn ouders schreeuwt: “Jullie begrijpen me helemaal niet,” dan denkt hij iets over generatieverschillen en hun invloed op de woordenschat. Zal hij zelf op een dag aan eigen collegae iets zonder succes proberen uit te leggen, dan denkt hij niet aan de generatieverschillen of aan beroepsjargon. Hij ligt die avond in zijn bed, staart naar het plafond en begint met de vaststelling van zijn diagnose. Het belangrijkste symptoom: “Ze begrijpen niet wat ik zeg.”

Het aantal mogelijke stoornissen is bij onze linguïst nogal beperkt en hij is er zich ook van bewust. Tot nu toe had hij geen moeite met het uitdrukken van zijn gedachten, dus alle aangeboren taalstoornissen vallen af. Aangeboren taalstoornissen manifesteren zich meestal tijdens de eerste tien jaren van het leven en ze kunnen of primair of secundair zijn. Primaire aangeboren taalstoornissen zijn voor de taalkundige interessanter dan de secundaire. Onder primaire stoornis wordt verstaan, dat de taalontwikkeling zonder een aanwijsbare oorzaak verstoord is. Er is niets mis met de spieren en het kind heeft ook geen van de aangeboren syndromen. Nee, het kind heeft uitsluitend moeite met de productie van de taal. Eén van de problematische gebieden is bijvoorbeeld de syntaxis. Een vraag maken is voor z’n kind moeilijk. Maar onze linguïst was een normaal vervelend kind met duizenden goede vragen zoals: “Wat is de secundaire aangeboren taalstoornis?” De secundaire taalstoornissen hebben een aanwijsbare oorzaak. Die kan zowel fysiek als psychisch zijn. Met de fysieke oorzaken is het nog gemakkelijk. Als iemand niets hoort dan kan hij natuurlijk niet spreken. Tot de psychische oorzaken behoort onder ander autisme. Onze linguïst kon zich snel aan een aantal vakkundige monolooguitwisselingen met zijn collegae herinneren maar het was meer een symptoom van de vakidiotie dan van het autisme.

Aangeboren is zijn stoornis niet, dus hij moet in de groep van niet-aangeboren taalstoornissen zoeken. Die zijn meestal het resultaat van een hersenbeschadiging die het gevolg van beroerte, val of infectieziekte kan zijn. De twee basisstoornissen heten afasie van Broca en afasie van Wernicke. Broca en Wernicke zijn centra in de hersenen die verantwoordelijk voor het gebruik van de taal zijn. Broca controleert de fysieke productie van de taal. Als een mens niet vloeiend kan praten, als hij te langzaam spreekt of moeite met morfologie heeft, dan is het hoogst waarschijnlijk dat zijn Broca, die meestal links in de frontale kwab gesitueerd is, beschadigd is. De linguïst spreekt een paar zinnetjes uit, maar hij hoort geen problemen. “Mijn Broca is dus kerngezond, omdat de patiënten met de beschadiging van Broca zich ervan bewust zijn dat ze niet vloeiend kunnen spreken”, vat hij op basis van zijn snelle test samen.


Het enige wat voor hem overblijft, is de afasie van Wernicke. Die klopt als een zwerende vinger. Hij denkt dat hij de anderen begrijpt en dat hij normaal praat maar eindelijk blijkt dat hij alles verkeerd begrijpt en onzin produceert. Wernicke is een gedeelte in de hersenen dat verantwoordelijk voor het verstaan van de taal is. Het Wernicke centrum zoekt bovendien in het mentale lexicon naar woorden die men uitspreekt. Patiënten met afasie van Wernicke reageren soms onverwachts op een vraag, die ze niet goed hebben begrepen en hun vloeiende antwoord die meestal grammaticaal correct is, heeft geen zin. “Ze zijn ervan ook niet bewust,” sluit onze linguïst zijn diagnose met het laatste kenmerk van zijn afasie af. 

zondag 20 november 2016

VIII

Dopen
Professor Pekelder


Iedereen kent de verhalen: de eskimo’s die 100 woorden hebben voor ‘sneeuw’. Is dat bijzonder? Nee, niet echt. In veel, waarschijnlijk alle culturen worden bepaalde verschijnselen op diverse manieren ingedeeld. Laten we eerst eens naar die ‘sneeuw’ kijken. Ook in het Nederlands hebben we daar diverse soorten van: natte sneeuw, verse sneeuw, schone sneeuw, vieze sneeuw, smeltende sneeuw, enzovoorts. Ik hoor u nu denken: ja, maar dat is iets anders. Dat zijn geen verschillende woorden maar verschillende woordgroepjes en die maken we eventjes als het nodig is, maar behalve het woord sneeuw hebben we bar weinig kant en klare woorden voor ‘sneeuw’. Dat is juist, alhoewel we hebben smeltsneeuw, poedersneeuw, plaksneeuw… Aan de andere kant is het ook zo dat die honderd woorden van de Eskimo’s net zoals de Nederlandse woordgroepjes verschillende soorten sneeuw aanduiden. Het verschil zit hem dus niet in de sneeuw als ik het zo eventjes mag uitdrukken, of in de onmogelijkheid naar bepaalde verschijnselen te verwijzen. Het zit hem in de manier waarop een bepaalde taal verschijnselen indeelt. Hebben we binnen onze cultuur dan geen verschijnselen waarvoor we grote hoeveelheden kant en klare woorden hebben? Ja, wel zeker! Wist u hoeveel woorden we hebben voor het verschijnsel ‘mensengroep’? Heel veel. We noemen er enkele: gemeente, kerk, college, regering, bestuur, vereniging, drom, troep, menigte, leger, legioen, macht, massa, menigte, zee, samenscholing, schare, sleep, stoet, stroom, groep, bende, gevolg, collectief, compagnie, equipe, gezelschap, groepering, horde, klas, kliek, kluit, partij, ploeg, stel, verzameling, populatie, gepeupel, volk, kolonie, sliert. Interessante vragen zijn: waarom zoveel kant en klare woorden voor een bepaald verschijnsel en onder welke voorwaardes dringen ze de taal binnen? Voor de eerste vraag wende men zich tot de antropoloog, de historicus of de cultuurwetenschapper. De tweede vraag ligt midden op het bordje van de taalwetenschapper. Wat gebeurde er precies in ons hoofd toen we bijvoorbeeld van smeltende sneeuw over zijn gegaan naar smeltsneeuw? Het verschil is dat het woordgroepje een omschrijving is van wat we zien en het woord een benoeming. Je zou kunnen zeggen: het is de doopnaam van het verschijnsel. Omschrijvingen kosten meer cognitieve energie dan doopnamen. Daarom gaan we om taaleconomische redenen in bepaalde gevallen tot benoeming over, bijvoorbeeld als het om centrale dingen in ons leven gaat. Je kunt het vergelijken met namen van personen. In plaats van een persoon te omschrijven, gebruiken we meestal een naam, Els of Eppie. Dat is wel zo gemakkelijk. Als het eten op tafel staat en je je dochtertje onderaan de trap roept, hoef je niet te schreeuwen: “door mij ter wereld gebracht wezen van het vrouwelijk geslacht, éééééééten!”

maandag 14 november 2016

Het Nederlandse landschap en het Tsjechische landschap
Lukáš Vítek

Vanaf mijn kindertijd ben ik gefascineerd door de geologie. Ik bedoel door de echte geologie, niet door een saai vak op de middelbare school. Wat versta ik onder de echte geologie? Nou, ik stel de geologie voor in termen van de roman van de Franse schrijver Jules Verne Naar het middelpunt der aarde. De protagonisten ervan gaan er verschillende grotten in binnen, totdat ze zich binnen de aardbol bevinden en de geologische kern van onze planeet bereiken. Het lukt hen aan alle gevaren van de binnenkant van de aarde te ontsnappen, waaronder de vallende stukken graniet en giftige lucht van de ondergrond. Tenslotte komen ze op een speciale manier de aardbodem in Sicilië opnieuw uit: ze drijven op een vlot op de lava/magma van een vulkaan. Inderdaad, Vernes roman is fantastisch en onrealistisch, maar het laat goed het schone van de geologie zien.

Landschap en wolken

Ieder landschap heeft andere wolken. Het Nederlandse landschap wordt gekenmerkt door wolken, meestal grijze wolken. Het gaat om een land dat door de aanwezigheid van de wolken gedefinieerd wordt, aangezien het er zo vaak regent.[1] Zelfs de zanger Boudewijn de Groot zingt in zijn patriotische lied Lage Landen over de Nederlandse hemel en Nederlandse wolken:

Liggend op mijn rug
In het gras van Maas en Waal
Kijkend naar de wolken
Die langzaam overdrijven
één heeft het gezicht
Van het allereerste meisje

Lieve Inge Blaauw
Ik wil altijd bij je blijven


Geologisch gezien is het Nederlandse landschap vlak. Geen bergen, geen heuvels. Er is alleenmaar één bodemverhoging in Utrecht behalve een kunstmatige heuvel, en dat zijn bruggen over de grachten als we de tunnels van het fietspad op weg naar de universiteitscampus Uithof niet meerekenen. Het eerste echte dal in Nederland zag ik pas in Arnhem. Een fietser heeft het echt makkelijk in Holland. Voor een skiër lijkt het Nederlandse landschap monotoon en eentonig. Wie echter op de route tussen Utrecht en Soest fietst, beleeft echt iets.

Nederlands landschap 

Je gaat een bos uit naar iets tussen een fietspad en zijweg. Je bent er niet op voorbereid wat je ineens ziet. Zo ver het oog reikt zie je daar één gigantisch groen vlak. Het trekt zich helemaal in de verte uit. Dat vlak bestaat uit twee weiden waartussen de zijweg leidt, omringd door twee kanalen en lanen aan beide kanten. Af en toe lopen er schapen op de weiden en dansen er zwaluwen enkele meters in de lucht. In het oosten zie je in de verte Soest, achter jou ligt Bunnik of een ander dorp uit de Utrechtse omgeving. Linksaf en rechtsaf van de zijweg, dat wil zeggen in het noorden en in het zuiden, kijk je naar de bosachtige horizon.

Als buitenlander word je je er al snel van bewust dat dit landschap er anders uitziet dan dat van jouw eigen land. De hemel ligt in de omgeving van Soest tamelijk laag, terwijl hij in het oosten van Tsjechië in Podorlicko dankzij de heuvels veel hoger is. En de wolken dan? De Nederlandse wolken hangen in de rijen naast elkaar alsof ze gelijkwaardigheid, de hoofdwaarde van Nederland, belichamen. Sommige wolken zijn grijsblauw gekleurd en degene, die door de  zon worden beschenen, zijn helderwit. Ze zijn mooi, zelfs indrukwekkend, al je er in geen wolk het gezicht van een grote liefde kan herkennen. Als je dan een foto van het landschap van Podorlicko raadpleegt, valt eerder de hiërarchische ordening van de wolken op. De wolken van het Tsjechische landschap drijven in grotere afstand van elkaar en ze zijn groter. Ik vraag me af of het eveneens een parallellie met de Tsjechische maatschappij zou kunnen zijn. Dat zou een buitenlander moeten beoordelen, want voor de leden van onze eigen cultuur is het niet zo makkelijke te doorgronden, denk ik.




[1] Zie bijvoorbeeld het nawoord van Veronika Havlíková in haar vertalingen van verhalen van Jan Wolkers Model.