vrijdag 28 september 2018

XVI

Wat is taalkunde?

Professor Pekelder

Veel mensen denken dat taalkundigen meerdere vreemde talen spreken of op z’n minst een talenknobbel hebben. Dit is helaas onjuist. De meeste linguïsten die ik ken, spreken slechts hun moedertaal. In sommige landen heb je linguïsten die twee talen beheersen. De tweede taal is dan meestal een of andere vorm van Engels. Ik ken maar enkele linguïsten die meer dan twee talen beheersen. Wat doen ze dan wel als ze hun talen niet of nauwelijks spreken, wordt mij vaak gevraagd. Dat deze vraag telkens terugkomt, is eigenlijk niet zo gek. Het vak taalkunde bestaat immers noch op de basis- noch op de middelbare school. Wat wel verbazing wekt, is dat mensen zo’n vraag niet zo snel zouden stellen aan primatologen, exobiologen of entomologen. Dat iemand bijvoorbeeld onderzoek doet naar het seksuele leven van de gestreepte Oost-Afrikaanse bosmier vindt niemand vreemd. Dit intrigeert mij. Waarom zou onderzoek naar buitenaards leven, naar primaten of insecten voor de hand liggen maar naar taal niet? Mijn hypothese is dat het taalvermogen van de mens als zoiets vanzelfsprekends wordt ervaren, dat niemand zich er druk om maakt. Dat anderen dat wel doen, is dus onbegrijpelijk. Maar waarom dan die vanzelfsprekendheid? Omdat het taalvermogen een natuurlijk verschijnsel is. En het is precies dat natuurlijke karakter van menselijke taal dat wetenschappers zo boeit. Elke baby, peuter en kleuter verwerft de taal van zijn omgeving zonder dat iemand hem de grammatica uitlegt. Kleine kinderen zijn blijkbaar in staat zelf de regels af te leiden uit het taalaanbod waaraan vader, moeder, broer en zus hen blootstellen. Taalkundigen nemen daarom aan dat mensen beschikken over een genetisch vastgelegd vermogen mentale grammatica’s op te bouwen. Bij de meesten lukt dat maar één keer. Dat is wellicht ook de reden dat zelfs taalkundigen doorgaans maar één taal goed beheersen.

zondag 3 december 2017

XV

Taal en communicatie
Professor Pekelder

Veel mensen denken dat de belangrijkste functie van taal communicatie is. Dit lijkt me aanvechtbaar. Natuurlijk is taal een communicatiemiddel, maar zonder veel succes. Op de keper beschouwd loopt de communicatie tussen personen of instanties vaak - geheel of ten dele - mis. We kunnen niet anders dan daar genoegen mee nemen en dat doen we meestal ook. De vraag rijst natuurlijk wel hoe het komt dat communicatieve boodschappen zelden volledig overkomen. Dit hangt rechtstreeks samen met het gedeeltelijke karakter van menselijke taal. Zoals we eerder al eens hebben opgemerkt, zit taal vol gaten. Er bestaat een wereld waarin men deze probeert te dichten, de juridische. Desondanks lukt het ook juristen niet perfecte communicatie tot stand te brengen. Daar leven de advocaten dan weer van. Een andere boeiende vraag is waar taal wel goed in is. Taal is zeer geschikt als kunstuiting. Als je talent hebt, kun je prachtige romans en gedichten schrijven. Het leuke is nu dat goede romans en gedichten vol gaten zitten, nog meer dan in het niet literaire taalgebruik. Een gebied waarvoor taal ook goed bruikbaar is, is de sociale cohesie. Als u bij de bushalte staat en er komt een vage bekende aanlopen dan heeft u het gevoel dat u even moet praten. U uit een begroetingsformule, vraagt hoe het gaat en als het gesprek stokt, begint u over het weer. Is dit communicatie? Nee, niet echt. Er wordt geen informatie overgedragen, er wordt onderstreept dat u een goed opgevoed mens bent. De belangrijkste functie van taal is echter: grip krijgen op de omgeving. Taalwetenschappers noemen dit de cognitieve functie. Aanvankelijk doet de wereld zich als een chaos aan ons voor. Door talloze categorieën en subcategorieën in ons hoofd te maken en daar - simpel gezegd - woorden op te plakken, scheppen we orde. Het is deze orde die ons als mensen in staat heeft gesteld binnen de levende natuur zo’n prominente plaats in te nemen.

vrijdag 3 november 2017

XIV

Ervaringsspiegel
Professor Pekelder


Veel mensen denken dat taal een spiegel is. Als je erin kijkt, zou je de werkelijk zien. Niets is minder waar. Taal interpreteert de werkelijkheid en interpretatie is subjectief. Een voorbeeld. In het Nederlands maken we een onderscheid tussen het materiaal hout, de plant boom en een flinke groep bomen, namelijk bos. Het Duits doet het op dezelfde manier, respectievelijk Holz, Baum en Wald. In het Frans wordt dit drieledige onderscheid teruggebracht tot: arbre (boom) en bois (hout en bos). In het Nederlands wijst het woordje hout slechts in uitzonderlijke gevallen een bos aan, zoals in de eigennaam Haarlemmerhout. De Franstaligen hebben voor een flinke groep bomen ook nog forêt, maar dan is het een zeer flinke groep. Wij hebben in het Nederlands natuurlijk ook woud, maar dat wordt alleen nog maar gebruikt in zogenaamde afleidingen en samenstellingen: oerwoud, regenwoud en een enkele keer opnieuw in eigennamen, bijvoorbeeld Zoniënwoud (een bos ten zuiden van Brussel). Als we andere talen bij de vergelijking betrekken, krijgen we andere indelingen. Er bestaan bijvoorbeeld talen die een onderscheid maken tussen hout als materiaal om te stoken en hout als materiaal om te bouwen. In het Italiaans wordt dat dan legno en bosco. Dat laatste woord betekent tegelijkertijd ook een flinke groep bomen, terwijl één boom albero is. Een zeer flinke groep luidt foresta. Er is nog een andere ons bekende taal die vier benamingen heeft, maar dan weer net iets anders: het Engels. Een boom is tree. Hout voor de open haard of om mee te bouwen is wood. Tot hiertoe is de indeling zoals in het Nederlands en het Duits. Wat verschilt is dat deze taal net zoals het Frans voor een bos en een groot bos twee verschillende woorden heeft: woods en forest. Grappig trouwens dat het woord voor bos de meervoudsvorm van het woord voor hout is. Er is ook een taal als het Hongaars dat alleen een onderscheid maakt tussen twee groepen bomen: liget (flinke groep) erdő (zeer flinke groep) en de rest: fa. Het Deens ten slotte heeft alleen trae (voor één boom) en skov voor de rest. Wat mogen we hieruit opmaken? Dat taal een ervaringsspiegel is van een werkelijkheid die we zelf gemaakt hebben.

zaterdag 30 september 2017

XIII

Taal en macht
Professor Pekelder



Je hoort vaak zeggen kennis is macht. Hetzelfde geldt voor taal. Hoe beter je de taal beheerst, des te efficiënter je het gedrag van mensen kunt beïnvloeden. Mensen zijn van nature gedragsbeïnvloeders. Ze streven er systematisch naar het gedrag van anderen te sturen. Er bestaan echter ook professionele beïnvloeders van menselijk gedrag, zoals psychologen, psychiaters, reclamemakers en niet te vergeten politici. Laten we de laatste groep eens onder de loep nemen, met name de extremisten. Bij hen komt de manipulatie het duidelijkst tot uiting. Gilbert Collard, een vooraanstaand lid van het extreem rechtse Front National beweerde enige tijd geleden dat het woord populisme geen negatieve maar een positieve bijklank heeft. Volgens deze advocaat betekent het dat je je rechtstreeks tot het volk richt en het volk is de basis van de natie. Deze uitspraak is manipulatief om ten minste twee redenen. Ten eerste gaat hij stilzwijgend uit van het aanvechtbare idee dat er een onbetwistbare definitie zou bestaan van volk. En ten tweede ‘vergeet’ hij dat er onder specialisten in de geopolitiek een duidelijke definitie wordt gehanteerd voor het woord populisme, namelijk mensen vertellen wat ze graag willen horen door ze op te zetten tegen de intellectuele elite. Deze vorm van gedragsbeïnvloeding komt in een interessant daglicht te staan wetende dat Collard als advocaat zelf ook tot deze elite behoort. Soms valt de manipulator faliekant door de mand. De extreem-linkse Arlette Laguiller deelde na de instorting van de Twin Towers op 11 september 2001 mee dat de Amerikanen hiermee hun verdiende loon hadden gekregen. Als zogenaamde verdedigster van het humanistisch gedachtegoed heeft zij zich met deze uitspraak voor vele linksen definitief gediskwalificeerd. Misschien is het dan beter de publieke opinie woordeloos te manipuleren, zoals de Palestijnse leider Yasser Arafat die, terwijl Laguiller haar uitspraak deed, zijn bloed gaf voor de Amerikaanse slachtoffers.

zondag 16 juli 2017

Het beroep van filmtaalkundige: voordelen en valkuilen

Martina Vokáčová


In de werkelijkheid is de hedendaagse linguïstiek een exacte wetenschap. Daar geloven ten minste alle taalkundigen in die empirisch onderzoek verrichten. Met behulp van statistische methoden analyseren ze een heleboel taaldata – net als andere “echte” wetenschappers – of meten ze – zoals neurologen – processen die in het hersenen plaatsvinden.

In de verbeelding van leken doet zich een taalkundige zelden op die manier voor. Eerder is een linguïst een normatieve instantie – iemand die weet wat er in de taal al dan niet juist is en die ook over de bevoegdheid beschikt om te bepalen hoe het hoort. Voor dit imago van taalkundigen zijn zeker ook films verantwoordelijk – met op een prominente plaats Pygmalions of My fair ladies. Overigens spraken professor Higgins en Eliza Doolitle – nog voor de wereldberoemde filmmusical (1964) en de Britse filmadaptatie van het gelijknamige toneelstuk van G. B. Shaw (1938) –al Nederlands: de Nederlandse filmadaptatie dateert uit 1937. De Nederlandse bioscoopganger wist dus naar het lijkt ook vroeger dan zijn Engelstalige collega dat de juiste – door een linguïst goedgekeurde – taalbeheersing eigenlijk tot de goede manieren in het algemeen behoort.

Maar er worden ook andere rollen voor de linguïst door de filmindustrie uitgestippeld. In 1982 neemt een Nederlandse surrealistische film Het Dak van de Walvis de taalkunde op de korrel. Linguïsten worden er geparodieerd: ze proberen de principes van een onbekende taal te achterhalen door aan zijn sprekers verschillende onderwerpen te tonen. Een ander beeld van de linguïst wordt hier geopenbaard: een soort antropoloog die exotische beschavingen inclusief hun taal bestudeert en redt.

Recentelijk kreeg de populaire verbeelding van een linguïst in de film een invloedrijke aanvulling. In de Amerikaanse blockbuster Arrival (2016) wordt er namelijk expliciet strijd om de status van de taalkundige gevoerd – en om de al of niet wettenschappelijk karakter van het vak.

Arrival vertelt het verhaal van linguïst Louise Banks. Na het neerdalen van een aantal ruimtevaartuigen werd ze door het Amerikaanse leger gevraagd om de taal van de buitenaardse wezens te ontcijferen. De reden waarom uitgerekend zij voor die taak werd gekozen is op een van de grootste stereotypen over taalkundigen gebaseerd: de linguïst als een universele vertaler (vaak omdat ze natuurlijk ook polyglot zijn). Met de woorden van de kolonel die bij Banks komt: Twee jaar geleden heeft u wat Farsi vertalingen gedaan voor het leger. U heeft snel gewerkt aan die ontroerende video's. U staat bovenaan ieders lijstje als het aankomt op vertalingen. En u heeft ook nog twee jaar van uw SSBI. Dus u heeft nog steeds toegang tot top-geheime stukken. Dat is de reden dat ik in uw kantoor sta en niet in Berkeley.

De voldoende kwalificatie om met aliens te communiceren blijkt dus wat Farsi te kunnen vertalen en over een geldige achtergrondcontrole te beschikken. Andere redenen komen er tijdens de hele film niet bij. Men krijgt ook nauwelijks informatie over de specialisatie van Banks. Wat voor linguïst is ze? Ze vertaalt uit het Farsi. Ze geeft aan de universiteit les over de geschiedenis van Portugese klanken. Ze heeft een boek geschreven over de oorsprong van taal in het algemeen. Ze spreekt Mandarijn. En ze weet moderne software voor de taalverwerking te gebruiken. Een dergelijke combinatie zou moeilijk te vinden zijn in de curricula van de reële academische wereld.

Niet alleen het verzoek van de kolonel, maar ook het personage van Louise Banks zelf bevestigt dus het stereotype: de linguïst is een universele vertaler. Bovendien beschikt Banks blijkbaar over alle linguïstische kennis van de wereld: ze heeft geen specialisatie, ze weet gewoon alles wat alle taalkundigen in het geheel tot nu toe hebben ontdekt.

Welke beeld van een linguïst brengt de film dus over? En is dit beeld door de “reële” taalkundigen al dan niet te omarmen? Wél wordt hier het beeld van het vak in meer opzichten opgepoetst. Beginnende met het feit, dat linguïstiek überhaupt in het genre sci-fi aan bod komt. En daarenboven: een hoofdrol speelt (de sleutel voor het verhaal is een – vanwege taalkundigen die zelf naar bioscoop gaan – niet te noemen, maar wel bestaande linguïstische hypothese). Traditioneel worden eerder natuurkunde of cybernetica – in elk geval de “zware” wetenschappen – bedoeld met die science wanneer ze met fiction gepaard gaat. Duidt dus Arrival de opneming van linguïstiek onder de “echte” wetenschappen aan? Blijkbaar wel.

Maar daar houdt de linguïstische emancipatie niet mee op. Er wordt – en dat zijn de meest vermakelijke momenten van het verhaal – zelfs expliciet op de confrontatie tussen taal- en natuurkunde ingegaan. Banks is namelijk niet de enige wie werd gevraagd om de mensheid tegen de aliens te komen helpen. Naast de linguïstische onderzoekster zit er ook een zekere Ian Donelly in het team van de mensen: een theoretische natuurdeskundige. Traditioneel gezien zou híj voor de redding van de planeet verantwoordelijk moeten zijn.

Hoewel Donnely tijdens hun eerste ontmoeting een preek houdt over hoe niet de taal (zoals Banks in haar boek schreeft), maar de “exacte” wetenschap de hoeksteen van de civilisatie is, is het uiteindelijk Banks die de les geeft. De overwinning van taalkunde over de natuurwetenschappen wordt er herhaaldelijk ook metaforisch weergegeven – het duidelijkst in de scène waar Banks de wetenschappelijke patronen van Donelly van het bord wist – om een linguïstische uitleg te kunnen geven.


Hoewel er wel veel stereotypen en populaire aanpassingen mee gemoeid zijn, behaalt de linguïstiek wel een triomf in Arrival – en haar wetenschappelijk karakter wordt bovendien bevestigd. Behalve dat nu misschien de familieleden de studiekeuze voor linguïstiek beter gaan begrijpen, geeft dus ook de veronderstelling, dat ook de geldschieters van de academische wereld naar bioscoop gaan, een reden tot hoop.

zaterdag 1 juli 2017

Het ontwerpen van een onderzoek

Hedvika Schwarzová

Verschuren, P., Doorewaard, H. (2015) Het ontwerpen van een onderzoek (5e druk). Amsterdam, Nederland: Boom Lemma uitgevers

Binnen elke universitaire studie komen studenten het uitvoeren van een onderzoek tegen. Het onderzoek speelt een sleutelrol op elk gebied van de wetenschap omdat het veel nieuwe kennis kan brengen of een nieuwe inzicht in de problematiek kan opleveren. Het is van groot belang om een complexe onderzoek op te kunnen bouwen hoewel het geen makkelijke taak is. In dit artikel vat ik het eerste deel van het boek Het ontwerpen van een onderzoek samen dat vooral op beginnende onderzoekers gericht is. Het boek geeft een overzichtelijk inzicht in de methodologie van het schetsen van een onderzoek. Als beginnende onderzoeker kom je veel verschillende problemen tegen. Met behulp van dit boek en de methodologische stappen die er systematisch worden beschreven en met veel voorbeelden uit de praktijk gedemonstreerd worden, kan de lezer zich trainen in een planmatige aanpak bij het ontwerpen van zijn onderzoek.

Het begin is altijd het moeilijkste. De studenten moeten zich realiseren wat er precies moet gebeuren en wat eigenlijk een complex onderzoek moet bevatten. Het gaat over een ingewikkelde bezigheid waarover goed nagedacht en dat gepland moet worden. In het algemeen beoogt het onderzoek kennis, inzicht en levering van informatie waarmee een bijdrage kan worden geleverd aan de oplossing van een probleem. We onderscheiden twee soorten onderzoek en zijn richtingen; ten eerste is er sprake van een theoriegericht onderzoek waarin theoretische problematiek op grond van bestaande theorieën en kennis wordt opgelost. Verder werd nog een praktijkgericht onderzoek onderscheiden dat een praktijkbijdrage aan verandering van een bestaande situatie of kennis levert. Het onderzoek voegt dus iets toe aan de theorievorming in het vakgebied of aan een of ander praktijkprobleem.
Aan het begin van een onderzoek heeft de onderzoeker in de meeste gevallen zijn onderwerp in grote lijnen vastgesteld en de bestaande literatuur over de problematiek bestudeert. Het is essentieel om het onderzoek systematisch te ontwerpen wat de structuur en inhoud betreft. Daarvoor dient het maken van een onderzoeksontwerp waarin de onderzoeker het conceptueel en het technisch ontwerp bepaalt.
Het conceptueel ontwerp is verbonden vooral met de vraag wat je eigenlijk met je onderzoek wil bereiken en wat het doel er van is.  Binnen het conceptueel ontwerp wordt de doelstelling, het onderzoeksmodel, de vraagstelling en de begripsbepaling nader geformuleerd. Het vaststellen van een adequate doelstelling heeft een belangrijke functie die vanaf het begin een richting aan het onderzoek geeft. Onder doelstelling verstaan wij een nuttig, realistisch en binnen de gestelde tijd haalbaar, eenduidig en informatierijk geformuleerd doel voor een onderzoek (Verschuren & Doorewaard, blz. 38).

 Aan de andere kant het technisch ontwerp zorgt voor de methode hoe je het doel wil bereiken, welke onderzoeksstrategie ga je gebruiken, met welk materiaal ga je werken en hoe je de planning van het onderzoek zou schetsen. Deze voorbereidende werkzaamheid is zeer belangrijk voor een vlotte uitvoering van het onderzoek. In dit stadium van het onderzoek komt het van pas om een overzicht van de diverse mogelijkheden op het gebied van strategieën, materiaal en planning te maken zodat de onderzoeker de meest nuttige werkwijze kan kiezen. Dit overzicht zou ook de verschillende voor- en nadelen laten zien die tot de keuze van de beste beslissingen zou leiden.

Er worden vijf onderzoeksstrategieën onderscheiden. De eerste er van is het survey-onderzoek waarmee de onderzoeker een breed beeld van een relatief groot aantal onderzoekseenheden krijgt. Bij het survey worden vooral de kwantitatieve gegevens verwerkt die daarna met behulp van de statistieke procedures worden geanalyseerd. Deze manier van onderzoek geeft geen diepe inzicht, maar een uitgebreide kwantificatie van een fenomeen. Een experiment is een type onderzoek waarmee de onderzoeker nieuwe situaties of processen toetst en nieuwe ervaringen en kennis er over opdoet. Het experiment heeft een zeer specifieke vraagstelling, namelijk wat de invloed van variabele X op variabele Y is. De variabelen kunnen veel diverse zaken vertegenwoordigen en daarvoor is de experimentele onderzoeksstrategie goed bruikbaar vooral in een evaluatieonderzoek. Een onderzoeksstrategie waarmee de onderzoeker een diepgaand inzicht krijgt is de casestudy. In tegenstelling tot het survey werkt de casestudy met een relatief klein aantal onderzoekseenheden waaruit kwalitatieve gegevens worden verwerkt. De casestudy biedt vooral voor de beginnende onderzoekers veel interessante mogelijkheden omdat het relatief weinig methodologische kennis vereist en kan vrijwel in elke situatie van toegepast worden. De volgende onderzoeksstrategie is de zogenaamde gefundeerde theoriebenadering die zich op het zoeken van nieuwe theoretische inzichten richt. Dat gebeurt binnen de bestaande theorie die door de onderzoeker niet wordt  getoetst, maar verder ontwikkeld. Deze strategie is daarom geschikt voor een weinig onderzocht terrein. De laatste onderzoeksstrategie is een bureauonderzoek waarbij de onderzoekers met bestaande onderzoeksmateriaal werken dat door anderen al verzameld en geschreven is. In plaats van de verzameling van empirisch data moet de onderzoeker logisch en systematisch nadenken over hoe met behulp van het bestaande materiaal tot nieuwe inzichten gekomen kan worden.


De volgende stap van het ontwerpen van een onderzoek is het verzamelen van onderzoeksmateriaal en de verwerking van gegevens en bronnen zodat ze zo effectief mogelijk gebruikt kunnen worden. Tot slot komt de planning van het onderzoek aan bod. In dit gedeelte van het boek wordt beschreven hoe men verschillende onderzoeksactiviteiten en tijd zou plannen. Voor gedetailleerde informatie zie het tweede deel van het boek. 

maandag 12 juni 2017

Identiteit, ras en stereotypen in de Zuid-Afrikaanse maatschappij in de roman Ons is nie almal so nie

Hedvika Schwarzová

De roman Ons is nie almal so nie van een bekende Zuid-Afrikaanse schrijfster Jeanne Goosen speelt zich aan het begin van de jaren 50 in een voorstad van de Kaapstad af. De hoofdpersonage van het verhaal is de blanke zesjarige Gertie die ook de verteller is. Door haar kinderogen volgt de lezer de veranderingen en de spanning in de maatschappij kort na de invoering van de apartheid.
In het boek worden drie soorten mensen gepresenteerd als drie vertegenwoordigers van verschillende identiteiten en overtuigingen. Piet van Greunen, de vader van Gertie, vertegenwoordigt de groep mensen die de standpunten van de Nationale Partij volgen. Mensen die de rassenpolitiek als de enige oplossing zien voor hoe orde in het land te brengen is.[1] "Ze zijn niet van onze stand," zei papa dan. "Soort zoekt soort, zegt het spreekwoord. …" (Goosen, 1993, pp. 28) Doris, Gerties moeder, is meer gematigd dan haar echtgenoot en als moeder van een kind heeft ze medelijden met de arme zwarte families en hun discriminatie. Ze voelt dat de beperkingen van de regering gek en onmenselijk zijn, maar aan de andere kant volgt ze de witte menigte en blijft veilig. "Ik kan er niets aan doen, maar ik heb medelijden met ze." (Goosen, 1993, pp. 47) Hoewel ze met haar wat radicale man vaak ruzie over de kleurlingen en de zwarten heeft, denkt ze in sommige opmerkingen op dezelfde manier als hij. "Een hotnot is een hotnot en zal altijd een hotnot blijven." (Goosen, 1993, pp. 82) Oom Tank is een prototype van mensen die in geen rasverschillen geloofden en die de gelijkheid van alle rassen erkenden. "Hij geloof dat alle mensen – wit en bruin en zwart – gelijk zijn in de ogen van de Here." (Goosen, 1993, pp. 40) Hoewel het in het boek niet precies gezegd is, waren deze mensen de voorstanders van het Afrikaans Nationaal Congres, een belangrijke partij die voor democratie en non-raciale samenleving heeft gevochten.[2]
            In het boek figureren drie verschillende rassen die natuurlijk ook een bepaalde positie in de maatschappij hadden. Centraal staat de blanke hogere middenklasse, namelijk Afrikaanse familie Van Greunen. Ze onderhouden contacten met andere witte Afrikaners, maar niet zo veel. Verder worden in het boek kleurlingen en zwarten behandelt. De kleurlingen worden in het boek kaffers genoemd, toen een gewone benaming met een negatieve connotatie. Hotnots waren zwarten, afstammelingen van slaven. Deze racistische benamingen worden in het boek veel als een vergelijking gebruikt. ‘Hij begon zijn zelfrespect te verliezen, want ze behandelden hem als een slaaf. "Je zou zweren dat ik een hotnot was, als je de inspecteur vandaag tegen me had horen praten", vertelde papa.’ (Goose, 1993, pp. 28) Volgens de Promotion of Equality and Prevention of Unfair Discrimination Act uit 2000 is het niet meer mogelijk om deze termen te gebruiken.[3]
            Door de spanning in de maatschappij in de jaren 50 toen de blanken de totale autoriteit en macht hebben gekregen zijn de kleurlingen en de zwarten in het boek als minderwaardig en gevaarlijk behandelen. "Het zijn een stel barbaren. Ze moeten leren wie er de baas is in dit land." (Goosen, 1993, pp. 47) Er bestaan veel stereotypen over hen en zijn een frequent doelwit van beledigingen. Zoals toen een oude buurvrouw vermoord werd:
"Ja," ging Maizie Vlooi verder, "ze nemen aan dat die hotnot die dinsdag om de flessen en de botten komt, heeft dat gedaan. Die vent die doet alsof hij gek is. …" En ik zeg jullie dat het dat rotjong is geweest van de flessen en de botten. Hebben jullie al eens goed naar zijn gezicht gekeken? Ik weet zeker dat hij het was. Ik heb zijn gezicht nooit vertrouwd. Dat is nou echt wat je noemt een criminele kop." Het is maar beter om die lui niet te vertrouwen. … De regering zal iets moeten doen met dat stel hotnots." (Goosen, 1993, pp. 122 – 123)
Vanuit het fragment is zichtbaar hoe witte mensen zonder enige getuige of bewijsmateriaal helemaal overtuigd waren van de moordenaar van hun buurvrouw. De kleurlingen worden ook als een soort dreiging gebruikt zoals toen Gertie op de straat rondhangt: "Wat doe jij hier buiten op straat? Ga naar binnen. De kaffers zullen je pakken." (Goosen, 1993, pp. 72) In het boek zijn nog meerdere schermutselingen met kleurlingen die meer met de politieke situatie en de reeks verboden voor de kleurlingen verbonden zijn.
Zoals het boek Ons is nie almal so nie representeert waren de eerste jaren na de invoering van de apartheid een turbulente tijd toen de kleurlingen steeds meer gediscrimineerd werden wat tot veel conflicten en geweld in de grote steden leidde. Heel opvallend vind ik de fijne manier hoe de auteur de grote politieke en maatschappelijke veranderingen van de jaren 50 in zo’n ogenschijnlijk gewone novelle over een blanke familie uit een moeilijke tijd heeft verwerkt.




[1] Ross, R. (2001). Apartheid. In Zuid-Afrika: een geschiedenis (pp. 141 – 175). Amsterdam: De Arbeiderspers.
[2] ibidem, pp. 151 - 153
[3] Promotion of Equality and Prevention of Unfair Discrimination Amendment Act, 2002.‘ (2003). Online. Internet. 7 april 2016. Beschikbaar http://www.justice.gov.za/legislation/acts/2000-004.pdf

donderdag 1 juni 2017

XII

Ieder z’n ding

Professor Pekelder


Sprekers van Indo-Europese talen, zo’n beetje alle talen tussen India en IJsland, zijn verzot op reïficatie. Waaruit bestaat deze bezigheid? Reïficeren, ook wel verdinglijken genoemd, komt erop neer dat taalgebruikers verschijnselen uit hun werkelijkheid als dingen interpreteren. Zo ook de Nederlandstaligen. Laten we een voorbeeld nemen. Het verschijnsel BEEK wordt in het Nederlands als een ding geïnterpreteerd. Dit in tegenstelling tot een verschijnsel als WANDELING dat we als een beweging zien. Denk maar aan wandelen. Desondanks valt niet te ontkennen dat een beek volgens de gebruikelijke definitie van hoog naar laag stroomt. Ze heeft verval en verval is ondenkbaar zonder beweging. Als we iets verder kijken dan ons Indo-Europese neusje lang is, constateren we dat er binnen andere culturen op andere aspecten wordt ingezoomd. In het Hupa, een Noord-Amerikaanse indianentaal, zegt men nilliñ voor BEEK. Het betekent zoiets als ‘het stroomt’. Het Hupa biedt nog andere interessante voorbeelden die tegen de verdinglijkingstendens ingaan. Nemen we het verschijnsel BROEKRIEM. Een duidelijk geval van verdinglijking in het Nederlands. De vertaling in het Hupa luidt naxōwilloiε dat te parafraseren is als ‘het is rond hem gebonden’, een toestand dus, zoals in het Nederlands bijvoorbeeld het verschijnsel VREDE. Denk aan de vrede bestendigen. Een interessante vraag is waarom wij zo verzot zijn op verdinglijken. Dit is echter geen taalkundige, maar een antropologische vraag. Ieder z’n ding.

dinsdag 2 mei 2017

XI

14 is neus

Professor Pekelder

We hebben eerder als eens laten zien dat mensen voor hun telsystemen soms een beroep doen op lichaamsdelen: in het Samoan betekent het woord lima zowel ‘vijf’ als ‘hand’. Een hand heeft vijf vingers. Een ander voorbeeld biedt een van de talen van Nieuw-Caledonië waar het woord voor 20 gelijk is aan dat voor ‘mens’. Een mens heeft immers 10 vingers + 10 tenen. Een extreem voorbeeld van het gebruik van lichaamsdelen bij het tellen vinden we in het Wambon, een papoeataal gesproken in de voormalige Nederlandse kolonie Nieuw-Guinea, nu Irian Jaya, onderdeel van de Republik Indonesia. De telling van 1 tot en met 27 is gebaseerd op het bovenste deel van het menselijk lichaam, met name op die delen die paren vormen. Ze begint aan de linkerkant. Zo draagt het getal 1 de naam van de pink, 2 verwijst naar de ringvinger, 3 correspondeert met de wijsvinger, het woord voor 4 is hetzelfde als dat voor de middelvinger, terwijl 5 de duim aanduidt. De pols geeft zijn naam aan het getal 6, het woord voor de onderarm is identiek aan dat voor 7 en de elleboog staat voor 8. Voor 9 wordt hetzelfde woord gebruikt als voor de bovenarm, terwijl 10 overeenkomt met de schouder. De getallen 11, 12 en 13 ontlenen hun naam respectievelijk aan het (linker)gedeelte van de hals, het oor en het oog. Voor de getallen 15 tot en met 27 wordt de omgekeerde weg bewandeld, aan de rechterkant van het bovenlichaam, te beginnen bij het oog (= 15) met als eindpunt de pink (= 27). Voor elk getal dat naar een rechterlichaamsdeel verwijst, wordt ten slotte het voorvoegsel em- geplaatst, dat zoiets betekent als ‘aan de andere kant’. De oplettende lezer zal nu zeggen: een mooi systeem hebben die papoea’s daar, maar ontbreekt 14 niet? Slaan ze dit getal misschien over? Integendeel! 14 neemt een speciale plaats in. Het is de mediaan, dat wil zeggen: het bevindt zich exact in het midden van de reeks, net zoals het reukorgaan zich in het midden van het gezicht bevindt. 14 is dus neus.

zondag 5 maart 2017

X

Maak eens een wereld
Professor Pekelder


Veel mensen denken dat elk verschijnsel een naam heeft of zou moeten hebben. Het eerste is niet juist en het tweede is onmogelijk. Dat het eerste onjuist is, zie je als je talen vergelijkt. We nemen het Franse cadet. Dit woordje is niet in het Nederlands te vertalen. Je kunt het alleen omschrijven: ‘het op een na oudste mannelijke kind binnen een en hetzelfde gezin’. Hoe komt dat? De reden is dat Nederlandstaligen er in hun hoofd geen aparte categorie voor hebben gemaakt. Het omgekeerde bestaat ook. Voor het verschijnsel ‘een aaneengesloten periode van een volledige dag en een volledige nacht’ hebben de Franstaligen geen apart woord. Het Nederlands kent etmaal. De vraag rijst nu waarom niet alle verschijnselen een naam dragen. Zoals we uit de twee voorbeelden kunnen leren, heeft dat niets te maken met het al dan niet bestaan van die verschijnselen. ‘Etmalen’ en ‘cadets’ hebben we volop, zowel in de Nederlandstalige als in de Franstalige wereld. De reden is dat het maken van categorieën in je hoofd vanuit een taalkundig oogpunt op een willekeurige manier plaatsvindt. Maar waarom dan die willekeurigheid zou je zeggen. Waarom maken niet alle mensen dezelfde categorieën? Dit hangt samen met de vrijheid die mensen genieten om werelden te maken. Uiteindelijk is de beslissende factor de (sub)cultuur waartoe ze behoren. Deze stand van zaken heeft een opmerkelijk gevolg. Mensen maken niet alleen categorieën van waarneembare verschijnselen, dat wil zeggen verschijnselen die via onze zintuigen tot ons komen, maar ook van verschijnselen die ze zelf verzonnen lijken te hebben. In theorie is het aantal verschijnselen dus oneindig. We kunnen zoveel werelden en dus categorieën maken als we willen. Laten we twee voorbeelden noemen: de wereld van de wiskunde en de geloofswereld. Beide zitten boordevol categorieën die niet rechtstreeks waarneembaar zijn: sinus, wortel, God, engel. Een intrigerende vraag is nu of deze werelden inderdaad verzonnen zijn of dat de betreffende categorieën teruggaan op bestaande verschijnselen. Hoe verklaar je bijvoorbeeld dat de wiskunde erin slaagt om op magistrale wijze het universum te beschrijven? Het is meerdere malen gebeurd dat wiskundige theorieën bepaalde verschijnselen afdwongen, terwijl deze nog nooit geobserveerd waren. Denk aan Einsteins voorspelling van de afbuiging van het licht. De hamvraag is dus of ons universum gebouwd is op basis van wiskundige principes - God als winnaar van de eerste Fieldmedaille? - of dat wij de wiskunde gewoon hebben verzonnen als een handig beschrijvingsmodel. Ook de geloofswereld stelt ons voor een intrigerende vraag. Zijn het allemaal verzinsels of gaan de betreffende categorieën terug op verschijnselen die we via onze zogenaamde interne zintuigen hebben waargenomen (instinct, intuïtie, enz.)? Weet u wat nu zo fijn is? Dat elk mens deze vragen in alle vrijheid voor zichzelf mag beantwoorden.